Home » 7 MAATSCHAPPIJ EN MENTALITEIT » POLITIEKE BENOEMINGEN

POLITIEKE BENOEMINGEN

POLITIEKE BENOEMINGEN

POLITIEKE BENOEMINGEN  

VROEGER EN NU      (2012)

De politieke benoemingen en de afslanking van het overheids-apparaat stonden tijdens de laatste weken andermaal in de belangstelling.

Zolang er geen nieuwe federale regering was, bleven - op Belgisch niveau - heel wat benoemingsdossiers in de schuif liggen.

Sinds het aantreden van de regering di Rupo is dit veranderd.

Niet alleen in de staatsadministratie zelf maar ook in de raden van bestuur van de federale overheidsbedrijven kan er opnieuw benoemd worden.

In DS (20 febr. 2012) stelde Guy Tegenbos vast dat de neiging om te waken over het “politiek evenwicht” bij het verlenen van topfuncties weer de kop opsteekt.

Hij schrijft: “ Die neiging om politieke benoemingen te doen, is een ware verslaving.”

 

DUALITEIT VLAANDEREN-WALLONIE

Merkwaardig genoeg komt - ook hier ! -  de dualiteit tussen  Vlaanderen en Wallonië andermaal naar voor.

De Vlaamse publieke opinie ergerde zich steeds meer over politieke benoemingen.

Daarom ook poogde de Vlaamse Regering aanwervingen en bevorderingen op een meer objectieve wijze te laten verlopen.

In de Franstalige politieke cultuur heeft men evenwel heel wat minder last van dergelijke overwegingen.

Waalse politici zien er helemaal geen graten in zich van de staat te bedienen.

Zo verzette de PS zich tegen een voorstel om de selectie van de beheerders van de Dexia bank toe te vertrouwen aan een onafhankelijke “headhunter”. 

De huidige eerste minister betreurt overigens dat er tijdens de laatste jaren, onder druk van de Vlaamse mentaliteit  en op initiatief van Bruno Tuybens (SP.A) “onafhankelijke bestuurders” aangesteld werden.

Die hebben geen “politieke kleur”. Stel u voor !

Elio Di Rupo vindt dat men zo niet kan werken.

Daarom vroeg hij aan de partijen dat zij een lijst zouden opmaken van “wie van hen” is.

Enkel een dergelijk “kadaster van de politiek benoemden” kan de Belgische regering in staat stellen om een oplossing te vinden voor haar interne benoemingsruzies.

Omdat Vlaanderen samen met Wallonië en Brussel behoort tot éénzelfde “Belgisch systeem” sijpelen dergelijke praktijken fataal ook door aan de andere kant van de taalgrens.

Of zoals een gezegde luidt: “Wie bij de hond slaapt, krijgt last van zijn vlooien”.

 

 

DE ANTI-STAAT

 

 

 

 

De nakende benoemingen bij de “Dexia Holding”, bij “Belgacom” en bij “Brussels Airport”, enz. vormen dan ook het voorwerp van schaamteloos politiek gesjacher.

Dit alles is uiteraard niet erg bevorderlijk voor de kwaliteit van het overheidsapparaat !

Het respect voor “de staat” en het vertrouwen in een onafhankelijk ambtenarenkorps takelen dan ook zienderogen af bij de brede lagen van de bevolking.

Toen ik eind jaren zestig van de vorige eeuw studeerde aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen kregen wij college van Prof. Libert Vander Kerken.

Die jezuïet velde - toen reeds ! - een vernietigend oordeel over België.

Vander Kerken, een man met hoge morele kwaliteiten, was zeker geen populist, laat staan een demagoog !

Wel integendeel !

Die rationele denker, die zeer goed op de hoogte was van de staatsfilosofie van Hegel omschreef België als “ de anti-staat”.

Hij wees er op dat nergens de wetten sterker met de voeten getreden werden dan in dit land.

Libert Vander Kerken stelde dat dit een nefaste invloed had niet alleen op “de staat” maar ook op het morele besef van de gewone burger.

Dit is bijzonder jammer omdat onze Nederlanden kunnen bogen op een heel andere traditie.

 

EEN VOORBEELD UIT HET EINDE VAN DE 17DE EEUW

In onze gewesten leefde inderdaad reeds eeuwen geleden de bekommernis voor een degelijk overheidsapparaat bestaande uit onkreukbare ambtenaren. 

In het archief van de ambachten van Brussel berust een zeer merkwaardig document waarin dit probleem wordt aangekaart.  

Een correcte behandeling van de burgers vergde ook een onkreukbaar korps van rechters en ambtenaren die benoemd waren omwille van hun deskundigheid en niet omdat zij hun ambt hadden gekocht.

Dit was ook de mening van de “boetmeesters”, d.w.z. hoofden van de negen naties.

Zij dienden op het einde van de zeventiende eeuw een rekwest (Algemeen Rijksarchief , Ambachten van Brabant nr. 1006) in bij de keurvorst.

Hem werd gevraagd niet langer ambten van magistraat of andere te verlenen in ruil voor giften en voorgeschoten gelden.

Zij vroegen m.a.w. dat: “gheene officien van magistrature nochte andere deser stadt en souden voorsien worden door giften ende gaven, anticipatien van penninghen voor interest ende anderssins”.

De boetmeesters der naties hadden immers vastgesteld “dat verscheyde eergierighe trachten door de voorschreven middelen wederom te komen tot de ampten van magistrature ende andere diensten deser stadt”.

Dit leek hen een nefaste ontwikkeling omdat de ambten meestal niet gekocht werden door de best gekwalificeerde mensen terwijl “het nochtans betaemelyck ende noodsaeckelyck is dat de goede ende capabelste tot de digniteyten, sonder gifte ofte gaven, door hunne eyghen verdiensten worden verkosen.”

In een opmerkelijk betoog baseerden de boetmeesters van de Brusselse naties zich onder meer op antieken als Seneca, Severus, Trajanus en Justinianus.

Zij zochten daarnaast ook argumenten in de eigen Brabantse geschiedenis.

Zij steunden op het advies dat hertogin Aleidis (+1273) destijds had ingewonnen bij Thomas van Aquino, op het Charter van Kortenberg (1312) van hertog Jan II, op de Blijde Inkomsten en op de “andere edicten van dese landen ende de particuliere previlegien deser stadt Brussele”.

Al die teksten moesten aantonen dat het verkopen van ambten nefast was.

Daarom mocht geen kandidaat tot een ambt of waardigheid worden toegelaten tenzij hij voordien onder ede verklaard had in ruil voor dat ambt niets gegeven of beloofd te hebben:

“dat niemandt tot eenighe publiecke ampten ofte digniteyten sal worden gheadmitteert, ten zy al voren eedt ghedaen te hebben van daer voor niet te sullen gheven, ghegeven oft belooft te hebben”.

De Brabantse vorsten waren, zo betoogden de leiders van de naties, zich bewust van de nadelen die “uyt dierghelycke geldt negociatien komen te resulteren”.

Dit was in de eerste plaats nefast voor het aanzien van dergelijke magistraten.

Op die manier zetelden er immers “eer-gierighe koopers van ampten ende digniteyten” in de rechtbanken

Welnu: dit ondermijnt het gezag van de justitie (“de authoriteyt ende administratie van justitie komt daer door oock al in misachtinghe”).

Bovendien - zo vervolgden de boetmeesters - zouden dergelijke kopers van ambten nooit het respect genieten waarover degenen zich mogen verheugen die “door hunne eyghen deught ende goede diensten tot de publiecke ampten komen verkosen te worden”.

Meer nog !

“Als men de goede daer laet ende de quaede voor hun geldt prefereert”, dan dreigen mensen die er op die manier “gekomen” zijn, later met andere mensen te handelen op dezelfde wijze als zij voor zichzelf hebben geageerd.

Dergelijke praktijken zijn daarentegen volslagen onbekend “aen de ghene die door hunne goede manieren ende rechtsinnigh leven de publiecke ampten hebben verdient”.

Of nog duidelijker : wie er geen graten in zag om voor zichzelf een ambt te kopen, dreigt achteraf ook het gerecht en de rechtvaardigheid voor geld te verkopen

De Brusselse boetmeesters verklaren dan ook uitdrukkelijk: “wie en sal gheen achterdencken hebben dat de justitie sal verkocht worden door deghene die de ampten door geldt komen te kopen”.

Ten slotte voerden de hoofden van de naties nog een andere overweging aan.

Inderdaad !

Wanneer dergelijke praktijken geduld werden, zouden eerlijke mensen ontmoedigd raken om zich nog verder deugdzaam en rechtzinnig te gedragen:

“van den anderen kant wat iever kander wesen om sich te vervoorderen in deught ende scientien, als men siet dat men alleenelyck met geldt kan gheraecken tot de magistraturen waer toe men alleenelyck soude moeten gheroepen worden door den goeden naem ende faem die men verkryght met wel te doen”.

In navolging van keizer Justinianus besloten de hoofden van de Brusselse naties dan ook kort en goed:

“Het verkoopen van officien is het beginsel ende het eynde van alle quaedt”.

Daarom drongen zij er bij de keurvorst op aan ervoor te zorgen dat het nieuwe stadsbestuur zou bestaan uit onberispelijke mensen.

Zij vroegen “een nieuwe magistraet van irreprochable mannen die sonder giften ende gaeven tot de magistrature sullen worden gheroepen”.

Zodoende zou overigens ook de vorstelijke resolutie van 30 januari 1698 gerespecteerd worden.

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze