Home » 7 MAATSCHAPPIJ EN MENTALITEIT » KENNIS NEDERLANDS IN WALLONIE

KENNIS NEDERLANDS IN WALLONIE

DE WALEN EN DE KENNIS VAN HET NEDERLANDS

 

Een tweetal jaar geleden wijdde “Panorama” een uitzending aan het taalonderricht in Franstalig België.

Daaruit bleek dat het Franstalig onderwijs - op een beperkt aantal uitzonderingen na - er nog steeds niet in slaagt om goede twee- en meertaligen te vormen.

Blijkbaar is de toestand er nog niet veel verbeterd.

Ook vandaag laat de kennis van het Nederlands nog veel te wensen over.

Dit blijkt trouwens ook uit een recente publicatie van Dominique Watrin uit Binche: “Mijn vader is groot ou comment je suis devenu un con qui ne parle pas le néerlandais.”.

In dit boek (dat niet minder dan 185 blz. telt), verklaart de auteur dat het Franstalig onderwijs nog steeds niet in staat is om mensen te vormen de vlot Nederlands kennen.

Trouwens: ook met de kennis van andere talen Engels en Duits is het verre van schitterend gesteld.

Dominique Watrin spreekt uit eigen ervaring.

Hij volgde immers zelf zeventien jaar lessen Nederlands, van het eerste leerjaar tot zijn universitaire diploma in de journalistiek en behaalde altijd goede cijfers.

Toch omschrijft hij zichzelf als “un con qui ne parle pas le néerlandais”.

Watrin hekelt de houding van de leerkrachten Nederlands.

Zij gaven immers blijk van bitter weinig enthousiasme.

Reeds hun eerste les begonnen zij met een zucht. Zij onderwezen Nederlands omdat het moest.

Ook de leerlingen hadden er geen zin in.

Zij vroegen dan ook om vrijgesteld te worden van de les “flamand”, naar analogie met  andere medescholieren die niet moesten deelnemen aan de les … turnen.

 

WEINIG VERANDERD

In zijn recent boek bevestigt D. Watrin eigenlijk volmondig wat J.P. Gaillez van het “Centre des langues vivantes” een paar maand eerder verklaarde in de VRT uitzending “Panorama”.

Inderdaad.

Kinderen die in hun omgeving voortdurend op een misprijzende wijze horen spreken over “le flamand” zijn allerminst gemotiveerd om zelf Nederlands te leren.

En dat in de Franstalige media niet altijd op een respectvolle manier wordt gesproken over de Nederlandstaligen bleek onlangs nog duidelijk uit de studie van Michielsens en Angioletti.    

Het misprijzen voor “Vlaanderen” en “de Vlamingen” bestaat overigens reeds lang.

Jules Destrée schreef destijds al dat de Walen voor het Vlaams “une répugnance instinctive et profonde” koesterden.  

Die mentaliteit vloeit voor een stuk voort uit de verschillen in de sociaal economische ontwikkeling die beide gewesten hebben gekend.

“Vlaanderen”, zoals men het Nederlandse deel van België op het einde van de 19de eeuw is gaan noemen, bleef lange tijd een landelijk en agrarisch gebied.

In Wallonië daarentegen begon reeds op het einde van de 18de eeuw een eerste industrialisering.

Die zette zich  krachtig door tijdens de 19de en de eerste helft van 20ste eeuw.      

Vanuit het “arm Vlaanderen” (zoals Pater Stracke het noemde) trokken talloze ongeschoolde werkkrachten als gastarbeiders naar Wallonië om er het vuile werk te verrichten.

Zij moesten er hard zwoegen voor een bescheiden loon. 

Die Vlamingen gingen dus allerminst naar Wallonië om er te profiteren van de uitkeringen.

In die tijd bestond er immers nog geen sociale zekerheid. Die kwam pas tot stand na 1945.

De Vlaamse migranten werden in Wallonië beschouwd als mensen die erfelijk belast waren (“des arriérés congénitaux”).

Op Waalse Congressen werd zondermeer beweerd dat de sociaal-economische en culturele achterstand van de Vlamingen het fatale gevolg zou zijn van … inferieure raskwaliteiten.

Die opvatting leefde ook bij de gewone man in Wallonië. In het theater en in volksliederen zongen men: “doze flamand et on pourcia fet traze biesse” (“twaalf Vlamingen en een varken vormen samen dertien beesten”).

Lang na de 19de eeuw, tot in de jaren 60’ van de twintigste eeuw, gold ten Zuiden van de taalgrens: “les flamins c’est ni des djins” (“Vlamingen zijn geen mensen”).

Dergelijk superioriteitsgevoel vindt men ook terug in een recent boek van Jean Claude Van Cauwenberghe.

In zijn publicatie “Oser être Wallon” (1998) pakte de voormalige Waalse Minister-president andermaal uit met die oude opvatting als zou de Franse cultuur superieur zijn. 

Van Cauwenberghe verklaarde letterlijk: “Notre identité première est donc Française …dans le recours à un outil unique, incomparablement supérieur à celui que constitue la langue néerlandaise” (p. 132).

In die omstandigheden hoeft het uiteraard allerminst te verwonderen dat, alle gepraat over “immersiescholen” ten spijt, Walen ook vandaag niet erg geneigd zijn Nederlands te leren.

Gevolg: tijdens een persconferentie onderbreekt een Waalse journaliste botweg een Vlaamse excellentie met de vraag : “Gelieve alles in het Frans herhalen want ik begrijp er niets van”.

 

 

EN DE CIJFERS  ?

In 2008-2009 opteerden in het Waals middelbaar onderwijs 49 % van de leerlingen voor het Nederlands als tweede taal en 49 % voor het Engels.

De overige twee procent gaven de voorkeur aan Duits.

Maar volgens de laatst beschikbare cijfers (2009-2010) gaat het Nederlands er op achteruit.

Vandaag opteren slechts 46 % van de leerlingen voor het Nederlands tegen 52 % voor het Engels.

De officiële verklaring luidt dat de communautaire impasse de interesse voor het Nederlands hebben doen verminderen.

Bovendien bleek uit een studie van de universiteit Namen dat de Walen het Nederlands blijven beschouwen als een lelijke, moeilijke, achterlijke (sic !) taal.

Dominique Watrin voegt er nog de kwalificatie 'barbaars' aan toe.

Een taal waar je zo tegen aankijkt, leer je niet graag, zelfs in 2012.

Het besluit van Watrin’s boek klinkt dan ook niet erg positief. 

 

EN IN BRUSSEL ?

Voor ons Brusselaars ligt de conclusie dan ook voor de hand.

Wij hebben er alle belang bij meer nog dan vroeger in te zetten op ons eigen Nederlandstalig onderwijs.

Onderwijs moet – meer dan ooit ! - een bevoegdheid van de gemeenschappen blijven.

Een onderwijs “op zijn Belgisch” kunnen wij missen als de pest.

Wij hebben heel de 19de en 20ste eeuw trouwens gezien waartoe dit heeft geleid. Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen…   

Uiteraard moeten de Nederlandstalige scholen in eerste instantie onderdak verschaffen aan kinderen waarvan minstens een der ouders Nederlandstalig is.

Het kan dus niet langer dat Nederlandstalige ouders in Brussel geen plaats meer vinden voor hun kinderen in  Nederlandstalige scholen.

Maar eens er gezorgd is voor de Nederlandstalige kinderen moeten wij er in Brussel tevens voor zorgen dat ook zoveel mogelijk anderstalige kinderen in onze Nederlandse scholen opgeleid worden.

Enkel zo kunnen zij uitgroeien tot de meertaligen die het pluriculturele Brussel nodig heeft.

Dit moet een absolute prioriteit zijn !

Desnoods moeten andere sectoren - zoals cultuur - tijdelijk inleveren om - meer nog dan vroeger - een performant en kwaliteitsvol Nederlands onderwijsnet uit te kunnen bouwen.  

Dergelijke investeringen in een gemeenschapsmaterie hebben bovendien  het grote voordeel dat zij volledig onder de controle vallen van de Nederlandse Gemeenschap.

Die kan volop toezien op de verantwoorde besteding van deze gelden.

Hier is er met andere woorden geen sprake van een “blanco cheque”.              

Wij hopen dan ook dat men in Vlaanderen oog zal hebben voor de enorme demografische uitdaging waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geconfronteerd wordt

Indien men geen oog zou hebben voor de aangroei van de jongeren in Brussel dan moet men achteraf niet komen jammeren dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geld uittrekt niet alleen voor scholen maar ook voor kinderkribben en peutertuinen.

Bovendien dreigen ook de gemeenten (waar de Nederlandstaligen bitter weinig te zeggen hebben !) meer en meer initiatieven te nemen op dit terrein.

De 19 baronieën dreigen met andere woorden meer en meer macht te veroveren ten nadele van het BHG waar de Nederlandstaligen sterker staan.

Dit kan toch niet de bedoeling zijn !     

 

 

14 februari 2012                                 

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze